Felix Mendelsohn

Jakob Ludwig Felix Mendelssohn Bartholdy, die uit een gegoede familie stamde, was pianoleerling van Ludwig Berger en Johann Nepomuk Hummel. Vioollessen kreeg hij van E. Rietz en Carl Wilhelm Henning. C.F. Zelter bracht hem muziektheorie en compositieleer bij.

Op negenjarige leeftijd trad hij voor de eerste maal als pianist in het openbaar op en op 11-jarige leeftijd componeerde hij voor het eerst. Mendelssohn was ook zeer bedreven in de dichtkunst en de schilderkunst en in het vertalen uit het Latijn en het Grieks en als dirigent.

In 1827 schreef hij zich in aan de universiteit van Berlijn, om daar de geschiedenis -en filosofiecolleges van G.W.T. Hegel te volgen. Zijn liefde voor J.S. Bach, die zijn hoogtepunt vond in het opnieuw uitvoeren van diens Matthäuspassion op 11 maart 1829, had Mendelssohn, die bevriend was met Goethe, vooral te danken aan Carl Friedrich Zelter.

In 1820 was Mendelssohn lid geworden van de Berliner Singakademie, die onder leiding stond van zijn leraar, en waarbij Bach een veelgezongen componist was. De nieuwe uitvoering van de Matthäuspassion was niet alleen het begin van Mendelssohns succesvolle loopbaan als dirigent, maar ook het begin van een Bach-renaissance resp. van een nieuwe opbloei van de gehele barokmuziek.

In 1833 werd Mendelssohn belast met de leiding van het Nederrijns Muziekfeest te Düsseldorf en kreeg nog in hetzelfde jaar een aanstelling als stedelijk muzikaal directeur. In 1835 nam hij de leiding op zich van de Gewandhausconcerten in Leipzig en in 1842 werd hij tot chef-dirigent van Pruisen benoemd.

Mendelssohn, die mede-oprichter en de eerste directeur van het conservatorium van Leipzig was en als zeer reislustig bekend stond, hield zich op compositorisch gebied met vrijwel alle genres bezig. Zijn muziek behoort wat vorm betreft tot de klassieke en imponeert door een doorzichtige instrumentatie en door de volledige beheersing van kleine lyrische vormen. Mendelssohn voerde een belangrijke vernieuwing in doordat hij als eerste beroepsmusicus niet meer dirigeerde vanaf het instrument maar vanaf het podium, waarbij hij een dirigeerstok ter hand nam.

Voorbeelden: Symphonie nr. 2 in Bes-majeur op. 52 van Felix Mendelssohn Bartholdy, ook bekend onder de benaming Lobgesang.

Carl Reinecke

Zijn geboorteplaats Altona maakte destijds deel uit van Denemarken. Hij was de zoon van de muziekleraar Johann Peter Rudolph Reinecke. Carl begon met componeren toen hij zeven jaar oud was. Vijf jaar later was zijn eerste optreden als pianist.

Reineckes eerste tournee in 1843 leidde tot zijn aanstelling als pianist aan het hof van Christiaan VIII in Kopenhagen (1846-48). Hij schreef vier concerten voor zijn instrument en vele cadensen voor concerten van andere componisten (deels gepubliceerd als opus 87). Hij schreef verder concerten voor viool, cello, harp en fluit.

In 1851 werd hij docent aan het Conservatorium van Keulen. Daarna werd hij benoemd tot muzikaal leider in Barmen en tot muzikaal leider en dirigent van de Singakademie in Breslau.

In 1860 werd Reinecke benoemd tot dirigent van het Gewandhausorchester in Leipzig en docent compositie en piano aan het conservatorium van Leipzig. Hij leidde het orkest tot 1895. Hij dirigeerde er onder andere de première van de definitieve zevendelige versie van Ein deutsches Requiem van Johannes Brahms in 1869.

In 1865 speelde het Gewandhaus-kwartet de première van zijn pianokwintet en in 1892 zijn strijkkwartet in D-majeur.

Honderd jaar na zijn dood zijn de bekendste composities van Reinecke wellicht die voor fluit: de fluitsonate Undine, zijn fluitconcert en de Ballade voor fluit en orkest. Hij was echter een van de invloedrijkste en meest veelzijdige musici van zijn tijd. Hij was meer dan 35 jaar docent. Tot zijn leerlingen behoorden onder anderen Edvard Grieg, Basil Harwood, Christian Sinding, Leoš Janáček, Isaac Albéniz, Jan Blockx, Emil Nikolaus von Rezniček, Johan Svendsen, Richard Franck, Felix Weingartner, Max Bruch, Cornelis Dopper, Mikalojus Konstantinas Čiurlionis en Leander Schlegel.

Na zijn pensioen besteedde hij al zijn tijd aan het componeren. Hij schreef meer dan driehonderd gepubliceerde werken, waaronder een aantal opera’s (die geen van alle meer worden uitgevoerd). Reinecke stierf toen hij 85 was in Leipzig.